Tweede marathon

Over met jezelf bezig zijn en anderen nodig hebben

Ik was in die laatste week ervoor twee boeken tegelijk aan het lezen. Een tweedehands van Kees Koomen met de titel: De marathon, kinderen van Pheidippides (van Abebe Bikila tot Emil Zátopek) en een boek dat ik te leen had, geschreven door Dolf Jansen (Altijd verder). Het hield me een beetje mij mezelf vandaan. Liever lezen over anderen, dan met mijn eigen loop bezig zijn. Dat mislukte natuurlijk geheid. 

Je voorbereiden op een marathon is heel erg met jezelf bezig zijn. Ik probeerde de laatste week nog volop te werken, maar op vrijdagmiddag ging dat niet meer. Nog één volle dag totdat het zover was. Ik had het gewoon nodig om even niks te doen. Beetje lezen, beetje boodschapjes. Goed eten. Goed drinken. 

Het zou mijn tweede worden, op Terschelling. Ik zag op tegen de kilometers op het strand, de duinen. Tegelijkertijd wist ik ook dat ik had gekozen voor Terschelling omdat ik er zo van houd. Van die duinen en het strand. Mijn loopmaatjes waren naar New York en Nice vertrokken. 

Mensen die het een beetje begrijpen

Ik was zenuwachtig en stond te rillen in mijn plastic poncho. Ik ging het weer doen, een marathon. Bij een loopgroep wordt daar veel over gesproken. Hebben de meeste er wel eens eentje gelopen,  Een halve of een hele. In het ‘dagelijkse leven’ hebben anderen vaak geen idee wat je aan het doen bent, wat je aangegaan bent en wat je er voor doet en laat. Hoeft ook niet, maar daarom is het fijn om af en toe mensen om je heen te hebben die het een beetje begrijpen. Of, zoals Dolf Jansen het zo mooi schrijft over ‘hoe fijn het is als je er af en toe aandacht voor krijgt… Het geldt denk ik ook voor iedereen, voor elk niveau, of je nou voor de club een heel goede baanwedstrijd wil lopen, voor het eerst een 10 kilometer binnen de 45 minuten wil afleggen of er gewoon in wil slagen 30 minuten achter elkaar te joggen zonder een keer te stoppen. Iemand die begrijpt wat je probeert de doen, waarom dat (voor jou) belangrijk is, daar de juiste aandacht aan geeft, dat heb je nodig.  

In dat startvak, met die poncho aan, was ik daar niet mee bezig. Ik moest het vanaf het startschot (in dit geval een scheepshoorn die zich liet horen over het hele eiland) helemaal zelf doen. Alle voorbereiding was gericht op de komende vier uren. En het zou mooi zijn binnen die uren te finishen. Want dat zou het gevoel geven van die overwinning op mezelf, waar ik weer weken op voort kon. 

De weken ervoor had ik geen training overgeslagen, ook al zaten er een verbouwing en verhuizing tussen. En had ik zoveel mogelijk doorgewerkt. Ik was er heel moe van geworden. Ik had eraan getwijfeld of ik voldoende fit zou zijn, genoeg slaap en goed eten moesten dat opkrikken. Dat lukte. De avond ervoor lag ik er om half tien in, en werd om vijf uur even wakker om erna weer in slaap te vallen, tot half zeven. Het was goed zo. Ik kon van start. 

Had ik bij mijn eerste marathon in Rotterdam de hele boel wat over me heen laten komen, nu was ik strenger voor mezelf. Ik nam thuis een goed ontbijt, op de boot richting het eiland stopte ik er nog twee zelf gesneden dikke witte boterhammen met appelstroop in en een uur voor de start nog een krentenbol. Kauwde twintig minuten voor de start op een Energy gum van de door mij onlangs geïnterviewde Mark Tuitert, die me dit natuurlijk aanraadde (baat het niet, dan schaadt het niet) en was er klaar voor. 

Niks mooiers dan langs het Wad

Scheepshoorn, applaus, muziek, horloge aan, gaan. Ik zat snel in mijn ritme. De ademhaling moest nog wel wat rustiger. Ook dat lukte. Het tempo was goed, misschien zelfs nog wat te hard. Maar als het gaat, gaat het. Ik genoot van die eerste kilometers langs de haven. Zo’n kade langs het Wad, langs schepen en aanmoedigend publiek. Wat is er mooier. 

Ik wilde niet stoppen bij drinkposten. Zeker niet in het begin, maar hield me wel streng aan: drinken! Daar was ik bij die eerste marathon veel te slordig in geweest, en toen was het ook nog eens super warm. Nu was het 11 graden, maar ik hield me eraan bij elke post een paar slokken te nemen. Ik had mijn eigen drinken mee, en goot om de tien kilometer een gelletje naar binnen. Bij de derde post, nam ik ook een bekertje water aan. Dat ging goed. 

‘Waar loop jij op?’, vroeg een jonge meid die al een aantal kilometer vlak achter me liep. Ik antwoordde dat ik niet op een tijd liep. Ik ging gewoon. “Je loopt een lekker tempo.” Ze liep nog een tijd met me mee. Totdat ze bij een café de wc opzocht. Later zou ik haar weer tegenkomen. 

Publiek verdween, het werd zwaarder

De kilometers vlogen voorbij. Dorpsbewoners stonden voor hun karakteristieke huizen te applaudisseren of te zingen, zichzelf begeleidend met een gitaar. De wind ging meer en meer liggen, de weg ging meer en meer omhoog en omlaag. De doorgaande weg door de dorpen, verruilde zich voor schelpenpaden en duinen. Publiek verdween. Het werd zwaarder. De kuiten moesten nu echt bijspringen. De armen goed bewegen, kleinere passen omhoog, grotere omlaag. Het ging. 

Nu ging ik de kilometers tellen. Vormden zich scenario’s in mijn hoofd. ‘Als ik eerst maar die 21 kilometer erop heb zitten. Ben ik op de helft, ga ik op de terugweg. Wanneer komt ook alweer dat strand. Als dat maar goed gaat. Hoe zal de wind er zijn?’ Ik vroeg onderweg aan mijn fietsende maatje hoe het in Nice ervoor stond. Het zou me even afleiden van mezelf. New Yorkers waren nog niet gestart, vanwege het tijdsverschil. 

De laatste kilometers voor het strand gingen de benen meer pijn doen. Wat begint met een beetje spierpijn, wordt een constante drukkende brandende pijn in de bovenbenen. Gelukkig bleven de kuiten het goed doen. Ik had maar één gedachte: tempo houden, en focus op het strand. Hoe zwaar dat ook wordt, dan ben je in de laatste fase. 

Lopers gingen wandelen

Dertig kilometer. Pijn. Maar ik kon door. Ik zag lopers voor me die gingen wandelen. Eindelijk kwam er weer een bocht met publiek. Het bleek het begin van de afslag richting het strand. Eindelijk, dacht ik. Dat viel echter tegen. Ik sloeg rechtsaf en dacht al snel bij het strand te zijn, maar het was nog een flink aantal meters tot de strandopgang. Opgang! Omhoog dus. Weer kleine pasjes, volhouden tot boven. Dan lekker naar beneden. Niks lekker. Iedere loper weet dat omlaag rennen met meer dan dertig kilometer in de benen, geen sinecure is. Dat doet nog meer pijn. Door, dacht ik. Niet zaniken. Het strand op. 

Hoewel ik nog even dacht de drie kilometer strand over te wandelen, zag ik dat het best goed zand was en de wind? Nul. Het zag er prachtig uit en ik liep in rustige pas, om maar niets te forceren, over het vrij vlakke zand. Het ging. En zag ik daar niet onze ultraloper van de club? Ging ik hem nou inhalen? Dat moest niet gekker worden (waarschijnlijk deed hij lekker rustig aan, zei ik meteen tegen mezelf. Dus geen illusies). 

Ik begon behoorlijk stuk te zitten met nog een strandopgang voor me. Ik moest weer naar boven. Kleine pasjes. Het deed zeer. De laatste passen deed ik wandelend. Pakte bij bovenkomst een beker water aan. Dronk het in stilstand op en nu moest ik door. Nog zes kilometer. 

Een gelletje had ik nog in de hand, maar durfde het niet te nemen. Het voelde als teveel, want wat als ik er misselijk van zou worden? De langste weg lag voor me. Het ging zwaarder en zwaarder. ‘Nu niet opgeven, nu doorlopen. Tempo houden. Toch maar gel. Een halve dan. Misschien helpt het.’ Ik stond er even voor stil. Nam een paar slokken. Smaak: dubbele espresso. Dit moest het doen. Ik ging weer lopen. Weer die pijn. Erger nu. ‘Gaan! Tempo maken. Knieën optillen, rechtop blijven.’ De kop stond nu niet meer stil. Hoorde in de verte een speaker. ‘Nog vier kilometer. Vier hele lange kilometers. Waar eindigt deze weg? Wanneer komt dat dorp? Houd ik het wel vol? Natuurlijk houd ik het vol. Godv… wat doet dat toch zeer. Maar dat wordt niet erger. Dit is het. Hier moet je het mee doen. Hier haal jij de finish mee. Luister nou naar jezelf. Je gaat het halen.’

Stopt een man voor me. Kramp. Een ander gaat wandelen. Weer een ander trekt gewoon een eindsprint. Ik hobbel verder. Einde lange weg. Dorp. ‘Shit, klinkers. Lastig lopen. Lastig? Niet te doen gewoon.’ En dan ineens in een bocht een horde publiek. Aanmoediging, muziek. Ik lach. ‘Ik ga er nu helemaal voor’. Ik klap zoveel mogelijk handen. Smal straatje. Het is als een bergetappe in de Tour de France. Het publiek staat vlak langs je. Moedigt je aan. De berg wordt steiler. Steeds zwaarder gaat het. Ik ren door, nog een bocht, nog een bocht. ‘Hoe lang nog? Waar is die klote finish. Mijn benen klappen uit elkaar.’ 

Weer een bocht. Verrek, daar ligt een rode loper. Ja echt! Daar is ie al. Ik zie het bord finish. Trek een eindsprint. ‘Waar kwam die vandaan?’ 

Sinds ik hardloop, eet ik rijstwafels (en dat is nog maar het begin) 

Wat is de juiste voeding voor een hardloper? Wat eet je voor een marathon? En hoe zit het nou met dat stapelen? Op naar een presentatie, door een diëtiste en een sales agent van sportvoeding. 

De eerste keer dat ik een afstand van boven de 25 kilometer hardliep at ik vooraf ’s morgen twee crackers met kaas. Zoals altijd. Duurloop of geen duurloop. Snel nog een kop koffie naar binnen en weg was ik. De eerste keer dat ik twijfelde of dit me wel genoeg zou voeden, was toen ik een reclame zag over Brinta. 

In het reclamefilmpje kwam het beeld voorbij van een sporter die de veters van zijn sportschoenen strikt nadat hij een bord warme pap naar binnen had gewerkt. Hij holde daarna heel snel weg. Het zette me op een spoor, en het maakte me aan het twijfelen. Zoals sporters, en misschien wel hardlopers in het bijzonder, zo vaak aan het twijfelen worden gebracht door reclamebeelden, rondgaande praatjes, en adviezen. Misschien was ik ook zo’n twijfelende hardloper geworden. 

Van voeding wist ik niet veel meer dan dat je goed moest eten, maar je niet vol moest proppen, en dat er zelfs lopers waren die zweerden bij een ochtendloop op een lege maag. Ik had het ergens gelezen. Als ochtendmens kon ik me daar niets bij voorstellen. Om de dag te beginnen kan ik niet zonder ontbijt. En na een tijdje gingen voor een ochtendtraining de crackers met kaas over in rijstwafels met pindakaas en banaan. Goed bezig, dacht ik. 

Ik zat vol, propvol. Met koolhydraten

Toen ik toe was aan mijn eerste marathon begon het gedonder. Naast een kennismaking met gelletjes, waren er daar nog veel meer bananen en pindakaas, en daar kwamen ook de pannenkoeken en pasta’s bij. Vooral die pasta’s. De avond voor de langste run die ooit deed, at ik een bord vol weg. Kreeg de hoeveelheid die me werd aangeboden niet eens op. Ik zat vol, propvol. Met koolhydraten. Althans; zo werd me verteld. Ik deed wat iedereen deed. 

Voeding en hardlopen heeft wat om het lijf. De een wil dit, de ander dat. De een zegt dit, de ander dat. Wat is wijsheid? Ik heb mensen misselijk zien worden van gels, om zien vallen omdat ze te weinig vocht tot zich namen en toen ik keek naar mijn urine na die eerste marathon, schrok ik van de kleur. Ik had meer moeten drinken. 

Het is de reden dat hardlopers elkaar bestoken met adviezen. Ze lezen van alles. En ook op social media komen er zeer regelmatig tips voorbij. In de artikelen van verschillende sites worden alle mogelijke onderzoeken aangehaald. Feiten tellen. En dan nog zijn er legio meningen, en is voeding vooral heel persoonlijk. Wat misschien de oorzaak was van het feit dat de presentatie over ‘voeding en hardlopen’ die ik onlangs bijwoonde, niet op superveel belangstelling kon rekenen. Iedereen lijkt het een beetje voor zichzelf uit te zoeken. En als een merk zich er mee bemoeit, worden velen argwanend. 

De eerste eyeopener was een feit

Jammer, want het bleef niet bij een algemeen verhaaltje alleen. De presentatie, gehouden bij Running Center door Jos Jalt Schippers van Etixx en diëtiste Anita Helfrich van Balanza uit Leeuwarden, gaf ook gerichte antwoorden op persoonlijke vragen en daar heb je wat aan. Diëtiste Anita nam allereerst de basis van alle voedingsgewoonten voor sporters onder de loep. Dit kwam neer op genoeg drinken, minstens anderhalve liter per dag en voldoende eten. Graanproducten, fruit, groenten en zuivel. Weinig vlees en niet al te veel vetten en suiker. Tot zover geen nieuws dus. 

De lijst met niet alleen wat, maar vooral hoevéel er van die voedingsmiddelen naar binnen moet worden gewerkt om aan een goede hoeveelheid vitaminen en energie te komen, verbaasde velen. Zoveel!? Zouden we dan te weinig eten? De eerste eyeopener was een feit. 

Zeker voor zij die regelmatig intensief sporten (en daar zaten we dan) kwam er nog wel wat meer bij kijken. Niet alleen na een fikse training heb je eiwitten nodig om de spieren te helpen zich te herstellen, maar ook vooraf kun je wel wat extra’s gebruiken. Daar keken nogal wat lopers van op. 

Immers; je weet hoe het gaat. Je komt uit je werk, snel wat naar binnen schuiven en dan hup, naar de training. Een enkeling weet ruim van tevoren een bordje warm eten naar binnen te werken, maar velen hebben daar nauwelijks tijd voor. Toch heeft het lijf een juiste voeding nodig om zoveel mogelijk profijt uit die trainingen te halen. 

Hoe zit het nou met carboloaden?

Ook wat drinken betreft werd geadviseerd niet louter veel water te nemen, maar daar isotonen aan toe te voegen zodat je op voorhand al genoeg mineralen en zouten binnen krijgt. Geen calorieën, wel voldoende brandstof. Voor sommigen de tweede eyeopener. Zeker voor hen die regelmatig lange duurlopen doen. 

En doe aan Carboloaden, drie dagen voor een lange duurloop ervoor zorgen dat je lijf gevuld is met energie, dus koolhydraten. Het befaamde stapelen waar zowel voor- als tegenstanders van zijn. Overdrijven moet je het niet. Wel extra koolhydraatrijke tussendoortjes nemen (rozijnen, banaan, reep). Niet teveel vezelrijke producten nemen, en let op het vetgehalte (niet te veel). Neem gewoon een snee brood of een schep pasta extra. 

Misselijk van de gelletjes

Van de sportgel dachten we alles te weten. Dachten we. Sommige gels en soortgelijke producten blijken zoveel koolhydraten te bevatten dat je er makkelijk misselijk van kan worden. Een gel die 30 gram koolhydraten bevat, is goed genoeg. Waarmee een aantal lopers die dat regelmatig ervaart, weet wat ze nu te doen staat. Een verkeerde gel of sportdrank die je wel eens bij een waterpost aangereikt krijgt, met veel te veel suiker erin, kan niet iedere maag verdragen. 

De adviezen voor tíjdens een duurloop lieten nog maar weer eens zien hoeveel vocht en koolhydraten we nodig hebben om het vol te houden. Om het kwartier 125 milliliter drinken (en dus niet louter water) en 60 gram koolhydraten per uur naar binnen werken, voor een deel haal je dat uit de isotonic poeder in je water en voor een deel uit een energie gel. En dan is het een en ander ook nog afhankelijk van uiteraard de kilometers die je aflegt, maar ook je gewicht en conditieniveau. Rekenen dus. 

Pindakaas en banaan kan, maar er is meer

En dan nog de losse flodders die voorbij komen. ‘Ga voor magere of halfvolle producten (die volle bevatten toch best veel vet). Drie dagen voor de loop niet teveel zware volkoren producten meer. Houd het bij witbrood, witte rijst en zorg ervoor dat je op de dag van je run voldoende ontbijt. Die rijstwafels met pindakaas en banaan zijn zo gek niet. Die kunnen tot even van tevoren nog wel. Eet eerder op de ochtend in ieder geval een paar witte boterhammen met jam. Betere bodem. En dan los! Weer wat geleerd. 

Waarom ik hardloop


Het was bijna drie jaar geleden voor mij meteen raak, het lopen. Pakte wel ’s wat kilometers, maar vanaf enig moment voelde ik me meer en meer hardloper worden. Nu weet ik dat dat om meer gaat dan louter rennen. Wat dan? 

Ik vertel erover aan de hand van ervaringen en anecdotes. Dingen die ik zie en hoor en me herinner. 

Deze keer over: wat Wennemars zei…

Ik vond het de beste tekst sinds tijden. “Dat je moet stoppen op je hoogtepunt. Onzin. Ik-stop-nooit.” Was getekend: topsporter Erben Wennemars. De uitspraak was prominent in de aankondiging gegooid in de dagen voordat het televisieprogramma ‘Meer dan Goud’ werd uitgezonden. 

Bijna 44 moet Wennemars nu zijn. Schaatser in hart en nieren, en inmiddels ook marathonloper (knappe tijden!). Een streber wordt hij genoemd, iemand die altijd wil winnen, iemand die niet kan stoppen. Precies, waarom zou hij. 

Hij wordt duidelijk gelukkig van sporten, en het liefst een beetje fanatiek. Zijn beste sportmoment, het moment waar hij het meeste van geleerd had, was de val in Nagano, zo vertelde hij in de uitzending. En dat terwijl niet alleen z’n schouder naar z’n mallemoer was, maar ook een droom in duigen viel. 

Wennemars bleef en moedigde aan

Tegelijkertijd gebeurde er iets bijzonders. Wennemars ging niet naar huis zoals vakantie-skiërs doen met een gipsvlucht. Hij bleef, moedigde zijn maten aan, en voelde zich -inclusief mitella- op en top atleet. Hij bleef deel uitmaken van die groep, die gelukkig wordt van sporten. En soms ook even niet… 

Over dat gevoel wil ik het wel even hebben. Hoe gelukkig is gelukkig? En wat doet dat dan? Je zou bijna zeggen: wat moet je ermee? 

Omdat je er gelukkig van wordt, Juul

Een week geleden, core- en krachttraining. Klein zaaltje, bloedheet, en maar squaten, burpees doen, lunges uitvoeren. Allemachtig, best zwaar. Hé hallo, ik ben 55! Dat laatste zei ik niet. Het schoot even door me heen. Ik was er de oudste. Deed niet onder voor de rest, sterker nog. Enfin, maar ik ging wel even kapot. 

Wat ik wel tegen mijn trainingsmaatje zei: ‘waarom doen we dit?’ Roepend: ‘omdat je er gelukkig van wordt, Juul’. Vooral dat ‘Juul’ kwam binnen, en ik wist dat ze gelijk had. Je gaat soms helemaal tot je het snot voor de ogen ziet, maar wat is dat toch lekker. Na die tijd, natuurlijk. 

Dat niet iedereen dat gevoel heeft of kent, begrijp ik heus. Niet iedereen is fanatiek, houdt van sporten of sporten op deze manier, heeft er de tijd voor etcetera. In mijn geval: ik kreeg het eigenlijk wel een beetje met de paplepel ingegoten. ‘Als je iets doet, doe je het goed. Ga je ervoor.’ Was het motto bij ons thuis vroeger. Ik herinner me nog zo een schaatstraining die mijn vader gaf (kernploeg jaren zestig) aan ons als meidengroepje. Ik moet een jaar of elf geweest zijn. En maar rondjes rijden en maar door die benen zakken en maar snelheid maken in de bocht. Het was de tijd van voor de klapschaats, van voor strakke pakken. Maar er werd net zo keihard getraind. 

Hij ging door tot het eind, en waarom niet?

Zo deed mijn vader dat zelf ook. Hij ging ervoor. Ondanks dat hij ziek was. Of misschien wel dankzij. Als je met je kop in de wind aan het hardlopen bent of aan het schaatsen (toen alleen maar buitenbanen) en het gaat ook nog eens regenen en je benen gaan pijn doen en je moet nog flink wat kilometers. Reken maar dat je dan voelt dat je leeft. Hij ging door tot het eind. En waarom niet?

Stoppen op een hoogtepunt? Laat me niet lachen. Wat is dan dat hoogtepunt? Niet die medaille. Het is voor mij (en ik meen ook mijn pa in die tijd) een constant gevoel van leven. Van vrijheid, van blij zijn, en heel soms van euforie. Bij een pr-etje of een loopje dat goed gaat. Een bocht die vloeiend loopt, een blokje versnellen dat even heel makkelijk gaat. Het zijn allemaal kleine speldenprikken waar je het achteraf over hebt, over opschept, of er nog veel meer van wilt. Het maakt niet uit; het is waar je het voor doet. 

Een fit lijf, een heldere kop. Ik heb het nodig in het leven en daar heb ik veel voor over. Ik ga er zo lang mogelijk mee door. Stoppen of het ‘rustiger aan gaan doen’ (blaahhh) omdat je een bepaalde leeftijd bereikt? Welnee joh! Mijn pa werd 37, hij had die keuze niet. Ik ga door. 

Hoe heppie is de hardloper nou echt?

Naar aanleiding van het overlijden van Jan Mokkenstorm. 

Als ik schrijf over hardlopen is het regelmatig naar aanleiding van een fijn trainingsloopje, een lolletje onderweg, een nieuwtje. Zelden gaat het om iets ernstigs. 

We weten het; insta en Facebook worden vooral gevuld met heppie de peppie berichten. Is ook prima, en ik doe er vrolijk aan mee. Tegelijkertijd kan ik het nu niet nalaten om iets serieuzers te melden, dat me aangreep vlak voor een trainingsrondje met mijn loopmaatjes. Op zondagmorgen. 

Op zondag zijn er -al vroeg in de ochtend- prachtige televisieprogramma’s die naar mijn mening echt ergens over gaan. Als ik tijd heb zet ik dat tijdens mijn ontbijt en de eerste kop koffie even aan. Kan nog net voordat ik de deur uit moet. 

De Verwondering is zo’n programma dat ik graag zie. Mooie gesprekken van Annemiek Schrijver met een inspirerende gast. Die ochtend zit daar een programma voor dat ik herken als een herhaling. Waarom een herhaling? En dan ineens weet ik het… hij is dood. Kan niet anders. 

Mijn vermoeden klopt. En het maakt het gesprek waar ik naar luister nog meer bijzonder. Jacobine Geel interviewt psychiater Jan Mokkenstorm. De man is 57, oprichter van 113 zelfmoordpreventie. 

Goeie kop, recht-door-zee verteller. Zijn missie: niemand mag eenzaam of radeloos sterven door zelfmoord. Hij richtte tien jaar geleden 113 zelfmoordpreventie op om het taboe dat rustte op zelfmoord zoveel mogelijk weg te nemen. 

‘Mede ingegeven door zijn eigen ervaring met depressie en suïcidaliteit, ontstond zijn fascinatie voor de hulp aan mensen in ernstige emotionele crisis’, schrijft de 113-site. Hij wist van diepe dalen en de wens om er een eind aan te maken.

Ik luister en kijk. En denk: depressieve gevoelens die leiden tot zelfmoordgedachten, een poging, een daad. Hoeveel mensen? Was het niet zo dat psychiater en hardloper Bram Bakker running-therapie in het leven riep? Niet voor niets. Hoeveel hardlopers hebben met depressieve gevoelens en nog erger te kampen? 

Als je je een beetje in het hardlopen verdiept, weet je dat er enorm, echt enorm veel lopers zijn. Er zijn heel veel zondagochtendgroepjes zoals dat van mij. Na al die loopjes tref je heel veel foto’s op social media van die groepjes. En op al die foto’s: lachende lopers. Bezwete koppen. Kleurrijke outfits. Een en al vrolijkheid en sportiviteit. 

Schijn? Hoeveel van deze mensen zitten op zondagmiddag somber thuis… Hoeveel zijn er gered door een rondje hardlopen? 

Ik heb vragen, heel veel vragen en kijk ondertussen geboeid naar Jan Mokkenstorm. 

De radicale vernieuwer, de bevlogen psychiater, die in liefde voor zijn patiënten het roer omgooide als het ging om de benadering van de mens met zelfmoordplannen. Want, zo vertelde hij eerder aan een Volkskrantverslaggever, de patiënten werden in de jaren tachtig en negentig anders behandeld. Ze zouden maar manipuleren met zelfmoord en werden daarom hard aangepakt door psychiaters. Daar kwam Mokkenstorm van terug. Veranderde zijn houding ten opzichte van deze patiënten, wilde ze bijstaan en richtte vervolgens 113 op. 

Mokkenstorm overleed deze maand (juli 2019) aan alvleesklierkanker. 

Leeftijd en lopen

Op het fietspad dat een lange slinger van hardlopers laat zien op de vroege zomeravond, haakt hij aan. Vervolgens blijft hij achter me lopen. De eerste tien minuten doet het me niets, daarna voelt het irritant. Een loper die lange tijd achter je en daardoor uit de wind loopt en je vervolgens op de laatste kilometers voorbij raast. Dat ken ik.

Ik ben echter te vroeg met dit oordeel, want hij blijft rustig bij mijn loopmaatje en mij lopen en vertelt zelfs dat hij niet van plan is om ons in die laatste kilometers achter zich te laten. Sterker nog, hij zegt op een kilometer of 8: ‘dit is mijn eerste halve marathon en ik ben al 54, dus dan weet je het wel’.

Ik glimlach een beetje voor me uit. En hoop dat mijn loopmaatje (net 40) op zijn woorden ingaat. En ja hoor. ‘Oh, dat is nog niks. Gewoon doorgaan, je hebt nog een loopleven voor je’, zegt ze. Nu is het zijn beurt om te glimlachen. En ik kan er niets aan doen, ik moet het gewoon zeggen: ‘ik ben 55’. Case closed.

Ik neem het maar als een compliment, want hij achtte ons ervaren ‘jongere’ lopers die nog wel een versnelling in de benen hebben. Gelukkig kan ik daar aan tegemoet komen in de laatste drie kilometers tot de finish. Dat lukt me niet altijd, maar ik heb een goede dag. Hij finisht een paar minuten achter me en we doen handjeklap.

Een paar weken later doe ik een training op zaterdagochtend en tref Ria. Ria is bijna 78 jaar en vertelt me honderduit over haar loopjes. Ze heeft heel wat halve marathons op haar naam staan. Ze lijkt nu trouwens ook fluitend mee te kunnen komen. Haar motto: ‘als je gezond en fit bent en er plezier in hebt, kan iedereen hardlopen. De snelheid doet er minder toe’.

Ik vind Ria een heldin. Een nuchtere fitgirl op leeftijd, maar hé… die leeftijd. Ik geloof niet dat het er vandaag toe doet. We trainen 3 x een 1600 meter. En drinken daarna een kop koffie. ‘Ik hoop op die leeftijd ook nog zo te lopen’, zeg ik haar na afloop. ‘Gewoon het ene been voor het andere’, antwoordt ze lachend.

Hardloopster Annemerel de Jongh trainde zestien weken als een topatleet en schreef er een boek over

Wat gebeurt er als je vier maanden traint, eet en leeft als een topsporter?

Dat lijkt een moeilijk te beantwoorden vraag. Hardloopster en freelance journalist Annemerel de Jongh deed het en geeft in haar boek Trainen als een topatleet, antwoord op deze vraag.

Het boek is samengesteld als een dagboek en geeft bijna per dag weer hoe Annemerel toeleeft naar en traint voor een marathon. Daar zijn meer boeken over geschreven, klopt! Dit boek is toch net weer even anders.

Ten eerste is Annemerel een vrouw (de meeste boeken over marathons zijn geschreven door mannen!). En dan: ze traint niet als amateur, maar gaat zestien weken lang leven als een topsporter. Een pro. Ze krijgt er alle mogelijke professionele begeleiding bij. Ze wordt omringd door een sportarts, trainer, voedingsdeskundige, sportpsycholoog en fysiotherapeut.

Ja, daar kun je best een beetje jaloers op worden. Ik in ieder geval wel. Hoe heerlijk moet het zijn om je helemaal te kunnen focussen op een doel als het lopen van de marathon in een toptijd. Je omringd voelen door een topteam. Je hoeft alleen maar met jezelf bezig te zijn.

Als amateurloper, moet je -mits je prestaties wilt neerzetten- toch veel schipperen als het gaat om trainingsuren. Er is ook nog een baan, een gezin, familie. Ga er maar aan staat als je dan een ‘goede’ marathon wilt lopen. Of een halve marathon, een snelle tien kilometer en ga zo maar door. Het zal menig loper niet vreemd voorkomen dat mensen om je heen in je teleurgesteld raken omdat je weer een feestje afzegt vanwege een training of een loop. Dat je niet mee-eet omdat je nu eenmaal een ander eetpatroon volgt. Of dat je je vakantie wilt combineren met juist die ene loopwedstrijd. Herkenbaar?

Dat zal bij Annemerel wel van een leien dakje gaan met al die ondersteuning. Nope, niets van waar. Halverwege het boek volgt het hoofdstuk: keuzes maken. Aha! denk je als fanatiek loper en lezer. ‘Zij dus ook’. Inderdaad. Zelfs zij (freelance job, dus eigen tijd indelen en geen gezin) moet keuzes maken. Ze ligt vaak al supervroeg in bed omdat ze ’s morgens vroeg een training moet afwerken. En familie en vrienden ziet ze ook steeds minder. Het is soms best een eenzaam bestaan en de trainingen zijn op een gegeven moment flink! Dat is dan nauwelijks nog een keuze te noemen, meer een ‘must’ om haar doel te halen. En dan is bijna kotsend over de finish komen, geen uitzondering. Je moet het maar willen.

Natuurlijk, het blijft haar eigen keuze. Zoals dat ook voor amateurlopers het geval is. Maar als na ieder hoofdstuk de opsomming volgt van haar totale aantal gelopen kilometers in de voorafgaande week, het aantal trainingsuren, en het aantal uren aan middagslaapjes, krab je je als lezer wel eens achter de oren. Het wordt alsmaar meer, niet normaal meer!

Leuk is wel dat ze in datzelfde overzicht ook haar hoogte- en dieptepunt van die week omschrijft. Het is soms toppie joppie en even zo vaak zakt ze in een dal, ofwel fysiek ofwel geestelijk. Die fysiotherapeut en sportpsycholoog zijn er duidelijk niet voor niets bij betrokken.

Hoe het afloopt, of ze het haalt en hoe, verklap ik hier niet. Daarvoor moet je het boek lezen. Maar of het interessant en onderhoudend is? Absoluut. Het leest als een trein. Naast alle verhalen over trainingen en wedstrijden tref je veel info over trainingsvariaties en voeding. En daar kan iedere loper zijn voordeel mee doen. Of je nu zoals Annemerel 30 jaar bent of zoals ik, 55. ik kan het boek absoluut aanraden aan wie goed wil lopen, lekker wil lopen en zichzelf daarin wil ontwikkelen, op welk niveau dan ook.

Annemerel de Jongh:
Voordat ik dit boek in handen kreeg, kende ik Annemerel niet. Ze blijkt best ‘bekend’ en vlogt en blogt al jaren (www.annemerel.com). Over haar leven, haar vele trainingsuren, marathons en schreef eerder al twee boeken: Live, Love, Run en Ik heb geen zin.

Trainen als een Topatleet – Bruna uitgevers

Laten we het even over hardloopsetjes hebben

En dan bedoel ik geen ‘geliefden’

Toen ik nog echt een groentje was in hardloopland, trainde ik in een oud voetbalbroekje van een van mijn zoons en een ‘gewoon’ shirtje. Mijn schoenen waren zeker al meer dan drie jaar oud. Ik had geen benul.

In mijn optiek moesten de benen het doen, en niet de outfit. Ik moest zelfs een beetje lachen om al die kleurige shirtjes met recente marathondata erop die lopers droegen. Ik vond het maar patserig staan. En dan heb ik het nog niet gehad over die kousen die over de kuiten gaan en frivole broeken en broekjes. Niks voor mij.

[even een stilte]

Wel wat voor mij natuurlijk! Ik neem al mijn vooroordelen over hardloopkleding terug, want een sportwinkel is inmiddels voor mij een snoepwinkel geworden.

Echt heel veel hardloopkleding heb ik nog niet echt (ik hoor verhalen over kasten vol shirtjes en broekjes, bij mij is het nog slechts één lade), maar het begin is er. Hoe het werkt? Als je eenmaal een beetje aan die renverslaving toegeeft, begint het: ‘ik heb zo hard getraind, dat ik die mooie sportbroek wel verdiend heb’. Of: ‘die halve marathon, ja… daar heb ik echt nieuwe schoenen voor nodig’. En dan de klap op de vuurpijl: ‘Ik heb niks om aan te trekken!’

Dat zei je misschien als puber als je die felbegeerde 501 jeans wilde, maar als ‘volwassen loper’ gaat dit natuurlijk nergens over. Je hebt setjes genoeg, maar je hebt gewoon zin in een nieuwe loopoutfit. Zo lekker!

Niets op tegen dus, maar ik verbaas me toch iedere training weer over het feit dat geen enkele loper hetzelfde draagt. Er is klaarblijkelijk veel, heel veel keuze. Van soms een mazzeltje of een goedkope voltreffer tot een uitzinnig setje van een even uitzinnige prijs (lees: reteduur). Het is maar net wat je wilt en wat je portemonnee toelaat.

En weet je wat me ook opvalt: lopers zien het direct als een van hun maatjes iets nieuws aan heeft. ‘Hé, heb je nieuwe schoenen?’. ‘Goh, wat een goeie kleur, dat shirt. Nieuw zeker!’. Nee, dat loopclubje vormt een modewereldje op zich. Het is wachten op de eerste lopers op de catwalk! Of moet ik zeggen: catrun!

ps; dat voetbalbroekje heb ik nog. Zit zo verdomd lekker… niet doorvertellen!

#jvBBlog